spoke · zo meten we het

Het W-tau-testprotocol: zo meten we jouw twee hersteltijden

Je kunt niet verbeteren wat je niet meet. Je hersteltijd — je W-tau — is geen getal dat een app voor je verzint, maar iets wat je aan jóu meet. Zo doen we dat: drie rampen, twee herstelpunten, één helder profiel.

Rob Bohte, arts en coach · bijgewerkt

Herstel is niet één tempo, maar twee: een snelle fase van tientallen seconden en een trage van minuten (elk met een eigen tijdconstante τ). Om beide te vangen, meten we niet één keer maar twee keer — na een korte pauze én na een langere. Het verschil tussen die twee metingen legt je snelle en je trage hersteltijd vast.

Het idee: leegrijden, dan kijken wat terugkomt

Je W-tau meet je niet in rust — je meet hem door je aanvalsbatterij (W′) eerst écht leeg te rijden, en dan te kijken hoeveel er terugkomt na een korte en na een langere herstelpauze. Veel terug na 30 seconden = een snelle eerste fase. Pas veel terug na een paar minuten = een trage tweede fase.

We rijden geen all-out sprint maar een ramp: het vermogen loopt gelijkmatig op (zo'n 20 watt per minuut) tot je niet meer kunt. Een ramp is zonder begeleider veel beter tot echte uitputting te rijden dan een sprint — je zakt er niet doorheen en je timet hem niet verkeerd.

Drie rampen, twee herstelpunten

1
Uitputtingsramp — leegrijden
Vermogen loopt op tot je stopt: je W′ is leeg. Dit is het startpunt waar het herstel vanaf telt.
30s
Korte herstelpauze
30 seconden rustig op je herstelvermogen. Kort — dit test vooral je snelle fase.
2
Meetramp 1 — na 30 seconden
Opnieuw een ramp tot je stopt. Hoeveel je nu haalt, zegt hoeveel batterij er in 30 seconden terugkwam.
240s
Langere herstelpauze
240 seconden (4 minuten) rustig. Langer — dit laat je trage fase zijn werk doen.
3
Meetramp 2 — na 240 seconden
De laatste ramp. Het verschil met meetramp 1 vertelt hoeveel er in de trage fase bijkwam.

Uit de twee metingen rekenen we je snelle en je trage hersteltijd (τ) uit — samen je W-tau. Je CP en W′ uit de CP-test blijven het anker eronder.

Waarom juist 30 én 240 seconden

Eén meetpunt kan de twee fasen niet uit elkaar houden. Na 30 seconden is vooral je snelle fase actief; na 240 seconden heeft je trage fase de tijd gehad om bij te laden. Door op precies die twee momenten te meten, kunnen we de snelle en de trage hersteltijd apart schatten — geen gemiddelde, maar twee getallen die samen jouw herstelprofiel vormen.

Het bewijs dat je écht leeg was

Een hersteltijd betekent alleen iets als de uitputtingsramp je batterij echt heeft leeggetrokken. Daarom leggen we bij elke stop ook je cadans en je RPE (hoe zwaar het voelde) vast: kon je aan het eind nog soepel doortrappen, dan was het niet maximaal en klopt de meting niet. Val je met wegzakkende cadans stil, dan weten we dat W′ echt leeg was — en pas dan zegt het herstel erna iets.

Veelgemaakte fouten

  • ✗De uitputtingsramp te voorzichtig rijden — dan is je batterij niet leeg en meet je herstel dat er niet was.
  • ✗De herstelpauzes niet op het afgesproken herstelvermogen rijden: te hard = je laadt niet op, te zacht = je meet iets anders.
  • ✗De pauzes inkorten of oprekken: 30 en 240 seconden zijn de meetpunten; wijk je af, dan kloppen de tau's niet.
  • ✗Testen op een dag dat je moe of niet uitgerust bent — herstel is dan tijdelijk trager en niet representatief.
  • ✗Een andere CP/W′ eronder gebruiken dan je actuele: het herstel wordt afgezet tegen je grens, dus die moet kloppen.

Begin bij de basis

Je W-tau bouwt op je CP en W′. Start met de CP-test (€ 9,90) — dan hebben we het anker, en meten we van daaruit je persoonlijke hersteltijden.